Twee keer tot 60 tellen

Ik ga een foto nemen, zei hij en hij zette de doos op een dode boomstronk neer.

Hij (de camera) stond niet helemaal recht, hij stond zelfs behoorlijk scheef.

De fotograaf keek naar de wereld vóór zich en naar zijn camera die die wereld zou vatten.

Zij (in lichte zomerjurk) stond erbij en keek ernaar.

Het duurde een beetje lang. Natuurlijk duurde het lang, alles moest in die doos! De zee klein en het gras groots.

‘Wat duurt het lang’ dacht ze, maar meteen daarna: dat lang is natuurlijk relatief. Zoals de zee klein, en het gras groots.

Hij wou rustig tot 60 kunnen tellen, en dat 2 keer. En intussen niets.

Intussen groeide een beeld in een doos.

‘En kijk je niet of het wel goed is’, vroeg zij vlakbij. ‘Scherp genoeg enzo.’

‘Mijn camera heeft zo zijn eigen visie’ (en daar hield hij zijn handen af). ‘Maar intussen kijk ik wat naar jou.’

Hoe ze wiebelend op één been op een paaltje stond. En dan –hop- van het ene paaltje naar het andere. Van het ene strand... in het zand.